Zomerfeuilleton V: De sportloze Sportzomer

En toen was Rody het plots beu. Hij deed een stap naar voren en gaf de man een zet, zodat hij van de stoep struikelde en op de uitgestorven straat belandde. Zijn telefoon, waarmee hij vermoedelijk de hele tijd stiekem opnames had gemaakt, kletterde op de grond.

‘Dit kan echt niet!’ riep hij, terwijl hij knielde om zijn telefoon te pakken. ‘Dit is mishandeling, dit is vandalisme. Dit kan echt niet.’
‘Schrijf daar maar een stukje over,’ zei Rody. ‘Zet het maar op Twitter, blaas het maar lekker op. Doe wat je wil, als je maar weggaat.’
We waren al bijna bij de voordeur toen we de journalist nog hoorden roepen bij het hek. ‘Een triest stelletje, dat zijn jullie, een zielig zootje. Losers!’ Zo ging dat vermoedelijk nog een tijdje door, maar Rody had de deur al dicht gedaan.

De dag dat ze me vertelden dat ik nooit meer op een racefiets moest stappen – tenminste, als ik wilde blijven leven, en daar gingen ze voor het gemak maar even van uit – ging ik ’s avonds in mijn eentje uit eten. Onbeperkt spareribs. Lekker was anders, maar ik at door, met het doorzettingsvermogen dat ik jaren had gestaald en dat nu opeens overbodig leek te zijn geworden. Ik at en bleef eten, tot een serveerster zei dat het wel genoeg was zo.
Daarop bestelde ik een dame blanche en een koffie, betaalde en ging in het naastgelegen café aan de bar zitten. Daar werd ik twee keer herkend: een man ging naast me staan en zei alleen maar drie keer mijn naam, en een jongen met een bril sloeg me op de schouder en vroeg me of dit wel verstandig was, met oog op de Vuelta.
Bij de persconferentie de volgende dag barstte mijn hoofd zowat uit elkaar. Later, toen ik de beelden terugzag, leek het alsof het einde van mijn loopbaan me zo emotioneerde dat het nodig was om voortdurend met mijn hoofd in mijn handen te zitten.
In werkelijkheid was ik opgelucht.
Iemand van de NOS – een lul, dacht ik opeens, dat soort gedachten had ik daarvoor nooit – vroeg of ik in het wielrennen actief bleef. Ik hoorde mezelf ‘Wie weet’ zeggen en daarna iets onsamenhangends over alles een plekje geven en de tijd nemen en mezelf opnieuw uitvinden. Dat soort antwoorden werden gewaardeerd, en ik wilde altijd gewaardeerd worden, het moest wel een bewijs van ernstige karakterzwakte zijn, zo graag als ik gewaardeerd wilde worden.
Als ik destijds die lul van de NOS, de waarheid had gegund, dan had ik hem uitgelegd dat ik me nooit meer bij een wielerkoers zou vertonen als ik het ook maar even kon vermijden, dat ik nog liever een uitkering aanvroeg dan een kleine profploeg onder mijn hoede te nemen en dat een sprong in de Waal me aantrekkelijker voorkwam dan een parttime job bij een fabrikant van stuurlinten, of een hospitality-baantje waarbij ik vettige sponsors tijdens wedstrijden door hun zelf betaalde kermisje mocht loodsen. Ik had hem kunnen zeggen dat ik niet van de sport hield, dat ik er eigenlijk nooit echt van gehouden had, dat mijn talent een last was en dat vette contract een molensteen. Dat had ik hem kunnen zeggen, maar dat deed ik niet, waarschijnlijk omdat ik zelf nog niet wist dat het zo zat.
Rody en Rosie waren er toen niet voor me. Dat nam ik ze niet kwalijk. Ik had geen behoefte aan schouders en troostende woorden, ik had behoefte aan rust en die kreeg ik sneller dan gedacht. De mensen die op het drama waren afgevlogen als vliegen op de stroop, hadden zich bij gebrek aan ontwikkeling in dat drama ook even snel weer verwijderd. Ik was ze gaan vervelen, en daar had ik niet eens echt mijn best voor hoeven doen.
Rody voetbalde toen nog een beetje, of hij deed in elk geval alsof. Rosie hengelde haar eerste medailles bij de senioren binnen.
Ik was de eerste die had moeten opgeven.

Lees hier deel één, twee, drie en vier van De sportloze Sportzomer van Frank Heinen.