Het speciale verhaal van gevangenisdorp Veenhuizen

In Veenhuizen, een dorp in Noord-Drenthe, staat sinds 2005 het Nationale Gevangenismuseum. Hoe komt zo’n nationaal museum hier terecht? De komend weekend te openen tentoonstelling het Verhaal van Veenhuizen probeert de geschiedenis van het gevangenisdorpje op te helderen.

Veenhuizen is op dit moment een dorp met 1250 inwoners. Onder de inwonerpopulatie bevindt zich een wisselend aantal langgestraften die de gevangenis bevolken. Veenhuizen en haar gevangenis zijn al twee eeuwen met elkaar verbonden en het dorp komt volgens insiders zelfs in aanmerking om dit jaar op de Werelderfgoedlijst van Unesco te komen. Al is het niet altijd een gevangenisdorp geweest. Het dorp wordt gesticht als sociaal experiment tegen armoedebestrijding en overbevolking van de weeshuizen.

Volgens Peter Sluiter, de directeur van het Nationale Gevangenismuseum, start het verhaal van Veenhuizen rond 1820: “Nederland was rond die tijd sterk verarmd. Napoleon was net uit Nederland vertrokken. Er waren veel mislukte oogsten en dat maakte dat de armoede in de grote steden enorm was.”

Beeld: Nationale Gevangenismuseum

Het ontstaan van Veenhuizen

De Nederlandse generaal Johannes van den Bosch, later gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, wilde de armoede aanpakken. Hij stichtte zeven bouwkoloniën, waaronder Veenhuizen. “Er werd geld ingezameld, gecrowdfund zouden wij nu zeggen. Je kon lid worden voor een stuiver per week, steden werden lid, maar ook mensen die liefdadigheid in zich hadden”, zegt Sluiter.

“Van dit geld werden boerderijtjes gebouwd en de armen, zwervers en landlopers uit de steden, wat wij nu de Randstad noemen, werden naar Drenthe getransporteerd om in hun eigen voedselonderhoud te voorzien. Het was ook niet vrijwillig. De transportatie gebeurde wel onder stevige dwang. Er kwam geen rechter aan te pas in het begin. Na de transportatie ontgonnen zij woeste grond, waardoor er meer landbouwgrond was en dat maakte Nederland minder kwetsbaar voor hongersnoden.”

Dat bleek toch lastig voor de toenmalige Randstedelingen. “Je maakt van een zwerver uit Amsterdam niet zomaar een boer,” volgens Sluiter.

Beeld: Nationaal Gevangenismuseum

Je kwam niet makkelijk weg. “Veenhuizen lag zo geïsoleerd, er was geen mogelijkheid om daar weg te komen,” aldus Sluiter. Toch transformeerde het dorp pas rond 1859 langzaam tot een gevangenisdorp. Toen begon het Rijk zich er pas mee te bemoeien.

Sluiter: “Dan zie je zo langzamerhand dat de bedelaars en landlopers gaan plaatsmaken voor wat we gewoon gevangenen of gedetineerden noemen. Later, rond 1900, werd het echt een gevangenisdorp en begon de bouw van de gevangenissen.”

Fascinatie voor gevangenis en straf

“Strafrecht en gevangenissen zijn sexy,” stelt Pauline Schuyt, hoogleraar sanctierecht en straftoemeting aan de Universiteit van Leiden. “Veel films en series gaan er ook over. Je hoopt zelf niet in de gevangenis te komen maar het is wel spannend om te weten hoe het is.” Schuyt zegt dat musea aan die nieuwsgierigheid voorzien: “Je wil je altijd aan de wet houden, maar het blijft altijd spannend wat er gebeurt wanneer je dat niet doet.”

Ook ziet Schuyt een rol voor musea als Veenhuizen om het begrip van de rechtsstaat bij de burger te vergroten: “Wat ik zelf lastig vind is dat mensen een oordeel over straffen die opgelegd worden hebben, maar zelf niet precies weten hoe het zit. Ik denk dat Veenhuizen er goed in slaagt deze nuance wel te laten zien. Wat ik zelf bijvoorbeeld heel leuk vind is dat je als bezoeker zelf de kans krijgt om te straffen. Dan ervaar je hoe lastig het is om de juiste straf te bepalen.”

Sluiter snapt het belang voor het begrip van de rechtstaat van de burger ook als museumdirecteur en stelt dat de wereld van detentie niet zo ver weg is als wij soms denken. “In Nederland leven op dit moment 350.000 ex-gedetineerden. Als je dat doorrekent is statistisch 1 van de 25 mannen die je kent een ex-gedetineerde. Het lijkt zich ver weg af te spelen achter hoge hekken, hoge muren, met een gracht, beveiliging en camera’s. Maar eigenlijk is die wereld van detentie veel dichterbij dan je denkt. Ex-gedetineerden zijn ook hele gewone mensen, niet allemaal Holleeders, dat zijn de uitzonderingen.”

Beeld: Nationaal Gevangenismuseum

Vroeger

De hele geschiedenis van Veenhuizen was er al een fascinatie voor Veenhuizen, stelt Sluiter. “Er is hier in de loop van de afgelopen tweehonderd jaar een optocht van mensen geweest die graag wilden kijken hoe het er hier aan toeging. Dat waren mensen uit het hele land en ook uit het buitenland.”

Sluiter stelt dat de fascinatie voor gevangenen van alle tijden is: “We weten dat er voor de negentiende eeuw tuchthuizen waren waar de gegoede burgerij bereid was om te betalen om een kijkje te nemen bij het leed van een ander. Die fascinatie is er altijd al geweest.”

Schuyt beaamt dat deze fascinatie er altijd al geweest is: “Strafrecht werd vroeger natuurlijk publiekelijk ten uitvoer gelegd. Op de markt had je inderdaad de rotte eieren, de galgen en onthoofdingen. De mensen gingen kijken als uitje. Met het feit dat we zijn gaan straffen met gevangenissen hebben we dat beeld van het marktplein weggenomen. Terwijl het wel heel spannend is.”

Vorig jaar heeft een recordaantal van 125.000 bezoekers het museum bezocht en Sluiter verwacht dat er ook dit jaar een grote aanloop zal zijn. Om aan deze grotere toestroom heeft het museum een extra pendelbus — de Boevenbus — in gebruik genomen.

Op zaterdag 24 maart 2018 opent het Nationaal Gevangenismuseum de nieuwe vaste expositie het verhaal van Veenhuizen. Meer informatie is hier te vinden.