Spring naar de content
bron: anp

Jeroen van Merwijk: ‘We worden geregeerd door cultuurbarbaren’

Jeroen van Merwijk (64) is beeldend kunstenaar en cabaretier. Onlangs werd bekend dat hij ongeneeslijk ziek is. Wat kijkt, leest en luistert hij in zijn vrije tijd?

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Nick Muller
Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is dt728x90f.jpg

Boeken

Abboneer op een lidmaadschap

Hoe sympathiek!

Dit artikel krijg je van HP/De Tijd cadeau. Om ons te steunen en meer artikelen van en uit HP/De Tijd te lezen, word je vanaf slechts vier euro per maand lid in minder dan een minuut. Voor dat luttele bedrag lees je ook alle stukken uit het maandelijkse magazine digitaal.

Kies een lidmaatschap

“Ik heb altijd wel een van de brievenboeken van Gerard Reve naast m’n bed liggen. Brieven van een aardappeleter vind ik daarvan het hoogtepunt. Het is een keuze uit meer dan dertig jaar aan ongepubliceerde correspondentie, waardoor je de brieven bijna als een biografie kunt lezen. Een kostelijk boek. Reve is de beste stilist en de invloedrijkste schrijver van de afgelopen zestig jaar. Het zou de moeite waard zijn om eens onderzoek te doen naar zijn invloed op het Nederlandse cabaret. Die is volgens mij heel erg groot. Herman Finkers, Erik van Muiswinkel, Diederik van Vleuten en ikzelf zijn bijvoorbeeld heel erg door hem beïnvloed. Niet alleen door zijn taalgebruik, maar ook door zijn zwartgallige humor. Sla een willekeurig boek van hem open en je weet wat ik bedoel. Ik houd ook heel erg van zijn ironie. Het lijkt allemaal heel luchtig wat hij schrijft, maar ondertussen is het bloedserieus – of andersom. Je weet als lezer niet wat je ervan moet vinden. Meent hij dit nu of niet? Dat is ook het aantrekkelijke aan zijn boeken: je kunt ze niet zomaar naast je neerleggen, je wordt gedwongen om er iets van te vinden. Iedere man – want het zijn vooral mannen die hem lezen – met hersens in z’n kop en een beetje gevoel in z’n donder zou zijn boeken moeten verslinden.

“Ik hou van literatuur met een lichte toon die ondertussen zwaarder is dan hij lijkt. Dan kom je natuurlijk al snel uit bij Gerard Reve, maar ik moet ook meteen denken aan Herman Pieter de Boer. Hij wordt als schrijver zwaar onderschat. Ik heb laatst weer eens wat korte verhalen van hem gelezen en die vielen me niet alleen mee, ze waren zelfs nog beter dan ik me herinnerde. Ik heb lang zitten nadenken wat hem zo bijzonder maakt. Ik denk dat het zijn verwondering over de wereld is, in combinatie met achteloze, af en toe wat kinderlijke stijl. Lees bijvoorbeeld De kellnerin en andere verhalen. De Boer heeft ook prachtige liedteksten geschreven: Laat me van Ramses Shaffy, Visite van Lenny Kuhr en Annabel van Hans de Booij. Annabel heeft een kanjer van een openingszin: ‘Iemand zei: dit is Annabel.’ Deze zin is meesterlijk in zijn eenvoud. Verzin het maar eens. In zijn latere leven raakte hij gefascineerd door het spirituele en het occulte. Daar schreef hij ook over, wat door weinig mensen werd gewaardeerd, waardoor hij een beetje in de vergetelheid is geraakt. Die stukken, waarin hij verhaalt over mystieke gebeurtenissen die hem zijn overkomen, heb ik ook graag gelezen. Ik kan niet zeggen dat ik het zelf navoel, maar het is juist leuk als iemand je meeneemt naar plekken waar je zelf nog nooit geweest bent. Je zou dat zelfs een van de doelstellingen van kunst kunnen noemen.”

Theater

NUHR. V.l.n.r. Joep van Deudekom, Eddie B. Wahr, Peter Heerschop en Viggo Waas.

“Ik hou eigenlijk helemaal niet zo van theater. Ik vind liedjes schrijven heel leuk, maar optreden minder leuk. Ik heb laatst uitgerekend dat ik de afgelopen dertig jaar in totaal zo’n twee maanden in de coulissen heb staan wachten tot ik op mocht. Dat is toch krankzinnig? Stel je eens voor hoeveel liedjes en tekeningen ik in die tijd had kunnen maken! Dat optreden doe ik echt voor de mensen. Ik vind het de taak van de kunstenaar om de inzichten die hij heeft gekregen door te geven aan de mensen in de samenleving. Dat klinkt misschien belachelijk, maar zo voel ik het echt. Liedjes bestaan pas als ze worden gezongen. Daarom heb ik het plan, ondanks dat ik nogal ziek ben (Van Merwijk heeft uitgezaaide darmkanker – red.), om in het najaar toch weer de theaters in te gaan. Ik heb een enorm oeuvre met honderden liedjes, waarvan het grootste gedeelte onbekend is. Die moeten gehoord worden. Ik ga natuurlijk weleens naar collega’s kijken, maar dat is dan meer omdat het vrienden van me zijn: Erik van Muiswinkel, Diederik van Vleuten, Herman Finkers en de jongens van NUHR, bijvoorbeeld. Draai het eens om is het beste cabaretprogramma dat ik ooit heb gezien. Daar komen ze nooit meer overheen. Het decor was grandioos: een kleedkamer. Heel simpel. De vier mannen in de kleedkamer hadden alle vier een ander trainingspak aan, waardoor je ze makkelijk uit elkaar houdt. Ook heel simpel. Het licht was grandioos, de regie was uitmuntend en ze gingen een paar keer goed over de grens. Daar hou ik van: cabaret moet een beetje pijn doen. In een goed cabaretprogramma moet ook altijd iets zitten wat slecht is, maar dat was hier niet het geval. Eigenlijk was dat het enige slechte aan deze voorstelling.

Dit Was Het Nieuws. V.l.n.r. Jan Jaap van der Wal, Harm Edens en Peter Pannekoek

“Laatst had ik het met Erik van Muiswinkel over het woord ‘navrant’. Volgens mij betekent dat ‘naargeestig’. ‘Naar’ en ‘geestig’ zijn precies twee dingen die een cabaretier moet hebben. Goed cabaret moet navrant zijn. Vrolijk cabaret is uit den boze. Ik maak daarom onderscheid tussen cabaretiers en grappenmakers. Theo Maassen vind ik bijvoorbeeld een ontzettend goede cabaretier – al is wat hij doet misschien meer stand-up. Bij cabaret horen namelijk ook liedjes. Dat is ook een van de wezenlijke kenmerken van cabaret. Brigitte Kaandorp is in die zin een heel goede cabaretier. Zij is een van de beste liedjesschrijvers van het land. Ze heeft een licht hopeloze toon die me zeer aanspreekt. Daniël Arends vind ik van de jonge garde heel erg goed. Peter Pannekoek ook wel, maar die vind ik vooral heel goed in reacties, zoals in Dit was het nieuws. Dat geldt ook voor Jan Jaap van der Wal. Ze kunnen allebei nog niet een hele avond dragen – althans: wat ik van ze heb gezien, vond ik niet altijd even overtuigend –, maar ze zijn onwaarschijnlijk goed op de korte baan. Zo heeft iedereen zijn eigen kwaliteiten. Alles wat neigt naar aanstellerij wordt onder cabaret geschaard, maar dat is het niet. Bert Visscher, Jochem Myjer en Ronald Goedemondt zijn grappenmakers. Ik vind ze stuk voor stuk erg goed, maar met echt puur cabaret heeft het niets te maken.”

Beeldende kunst

“Ik ben al veertig jaar professioneel beeldend kunstenaar; ik heb zo’n beetje alles wel gezien. Ik ken de hele kunstgeschiedenis, als het gaat over schilderijen, vrijwel uit mijn hoofd. In een museum heb ik dus weinig te zoeken. Ik vind die zalen er vaak ook veel te groot. In plaats van met een eenharig penseeltje kun je beter met een verfroller gaan werken, anders sneeuw je helemaal onder in zo’n ruimte. Het zou de fijnzinnigheid zeer ten goede komen als musea wat kleinere zalen zouden hebben. Het Stedelijk is bijvoorbeeld veel te groot. Perfect natuurlijk voor kunstenaars als Barnett Newman. Er is niet zoveel tegen Barnett Newman, maar er is ook niet zo heel veel voor. Leuk dat hij een paar vlakken heeft ingekleurd; dat moest natuurlijk een keer gedaan worden, dus nu kunnen we weer door. Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue vind ik trouwens niet eens een oninteressant doek, maar er is ook genoeg moderne kunst waar ik zo aan voorbijloop. Als ik eerst een boekwerk door moet ploegen om een of ander onbeduidend schilderijtje te kunnen ontrafelen, laat dan maar zitten. Ik hoef niet te weten wat erop staat, het verhaal interesseert me geen flikker, als het maar goed geschilderd is. Als een schilderij niets met je doet als je er alleen kijkt, dan is het geen goed schilderij.

Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue (1967)
Barnett Newman

“In galeries ontdek je vaak interessante kunstenaars. Jaren geleden liep ik in een Rotterdamse galerie tegen een grandioos schilderij van Willem van Genk aan. Hij was een autist, maar wel een die onwaarschijnlijk goed kon tekenen en schilderen. Van Genk was geobsedeerd door steden en openbaar vervoer. Hij heeft schitterende stadsgezichten getekend en maakte ook fraaie bussen van blik. Veel autisten maken prachtig werk. Ach, misschien heeft iedere kunstenaar ook wel een vorm van autisme, anders ga je niet iedere dag negen uur lang in je eentje in je atelier zitten. Van Genk valt onder de ‘art brut’, een stroming in de kunst die niet helemaal serieus wordt genomen door de officiële kunstinstituties, maar dat is wat mij betreft ten onrechte. Een paar van de grootste kunstenaars van de afgelopen jaren komen uit die stroming voort. Een van de leukste eigenschappen van die kunst is de horror vacui: de angst voor de leegte. Die angst heb ik zelf ook. Ik ben ook geneigd om mijn tekeningen en schilderijen helemaal vol te teren, zodat er overal iets te zien is.

“Als kunstenaar ben ik met name door tekenaars beïnvloed. Peter Pontiac is een genie. Hij liet iedereen zijn hielen zien wat betreft het tekenen – behalve dan Peter Vos en Peter van Straaten. Zijn laatste boek Styx, of: De zesplankenkoorts is bij elkaar gefinancierd door steun van particulieren. Ik heb ook nog wat bijgedragen. Het is
tragisch dat een man die zo bulkt van het talent aan het eind van zijn leven nog in geldnood moet zitten. Voor mij geldt eigenlijk hetzelfde. Ik kan gelukkig nog uit andere vaatjes tappen, ik ga binnenkort een boekje, Kanker voor beginners, schrijven en hoop dit najaar weer de theaters in te gaan, maar dat houdt financieel gezien ook niet over. Dat komt doordat we al jaren worden geregeerd door cultuurbarbaren. Het woord ‘cultuur’ komt in de hele troonrede niet voor; er is niet eens een aparte staatssecretaris voor cultuur. Het is een schande. 

“Van een hele andere orde dan Peter Pontiac is Ingres – een van de beste tekenaars die ooit heeft geleefd. Picasso was een groot bewonderaar van Ingres, maar vond dat hij dat niveau niet haalde. Hij zei daarover: ‘Je vindt iemand goed als kunstenaar, die doe je na, dat lukt niet en dat ben jij.’ Ik zag ooit een tentoonstelling van Ingres in The National Gallery in Londen. Elk schilderij was een stomp in m’n maag. Er zijn natuurlijk wel meer schilderijen die als een mokerslag aankomen – die Doge van Bellini, de Arnolfini van Van Eyck, De staalmeesters van Rembrandt – maar het gebeurt maar zelden bij elk schilderij dat je in zo’n zaal ziet hangen.”

Untitled
Willem van Genk

Muziek

“Ik ben zeer geïnteresseerd in americana. Drie akkoorden en de waarheid. Ik luister de laatste tijd het meest naar John Prine, Bob Dylan en Lou Reed. Prine is de onlangs overleden folkzanger. It’s a Big Old Goofy World en Angel from Montgomery zijn twee grandioze liedjes van hem. Hij is een van de allerbeste liedjesschrijvers van de afgelopen eeuw, iemand van hetzelfde niveau als Bob Dylan. Hij heeft serieuze nummers en wat lichter werk. Ik ben geneigd om voor dat lichtere werk te kiezen, hoewel de wat zwaardere nummers ook fantastisch zijn. Prine kan zich ook heel goed verdiepen in iemand die hij niet is. Angels from Montgomery begint bijvoorbeeld met de zin ‘I am an old woman’. Als ik dat hier zou zingen, zouden ze zeggen: jij bent helemaal geen oude vrouw, jij bent Jeroen van Merwijk. Amerika heeft een traditie van liedjesschrijvers die zich verplaatsen in een andere persoon en vanuit die persoon gaan schrijven. Het is daar helemaal niet gek om een lied te beginnen met de mededeling dat je een vrouw bent. Het publiek accepteert het meteen.

“Naar Bob Dylan luister ik ongeveer even vaak als naar Willie Nelson. Dylan bracht onlangs een nieuwe plaat uit: het zeventien minuten durende Murder Most Foul. Toegegeven: hij heeft af en toe de neiging tot langdradigheid. Eigenlijk altijd. Er is geen lied van hem waarvan ik denk: daar had geen couplet af gekund, maar het is wel weer een waanzinnig goed nummer. Willie Nelson heeft een unieke manier van gitaarspelen. Je herkent hem uit miljarden. Hij zingt ook altijd net iets voor de muziek uit. Dat vind ik ook zo goed aan hem. Nelson heeft heel veel stomme liedjes geschreven. Daar houd ik dus ontzettend van. Kejje nagaan van Het of Er staat een paard in de gang van André van Duin vind ik bijvoorbeeld onbedaarlijk leuk, maar ook Me & Paul van Willie Nelson. Daarin trekt hij met een zekere Paul door Amerika en maakt een grandioos klein schetsje van die trip.

Lou Reed

“Ik luister altijd naar Lou Reed, zoals ik ook altijd lees in de boeken van Gerard Reve. Ik vind hem onder meer zo goed omdat hij náár durft te zijn. Neem een lied als Sex with Your Parents. In dat lied vraagt hij zich af wat hij de naarste dingen zijn die je als mens kunt doen. Opeens weet hij het: sex with your parents. Hij zingt dat ook met zo’n half lachje, hij geniet van de naarheid. Heel veel liedjes van hem gaan over verandering. Dat je in staat moet zijn om jezelf te veranderen. I accept the new found man. Hij was daar zelf een meester in: geen enkele plaat is hetzelfde. Op zijn laatste plaat werkt hij zelfs samen met Metallica! Hij had zelf ook niet echt een vaste identiteit: hij was dan wel homo, maar ook weer niet. Het is heel onduidelijk wie en wat hij allemaal is geweest. Lou Reed speelt Lou Reed. Dat is interessant. Hij zegt: ‘I can do Lou Reed better than anybody.’ Een goede artiest ís niet zichzelf, die spéélt zichzelf. Het heeft mij jaren gekost om erachter te komen dat je op een podium niet jezelf moet zijn, maar jezelf moet spelen. Als je iemand speelt, kun je alles doen, want je bent het toch niet zelf. Sinds ik dat doe, ben ik op het podium sterk geworden.”

Film

Al Pacino in The Godfather (1972)

“Ik hou eigenlijk helemaal niet van film. Ik ben ook helemaal niet gevoelig voor films, behalve voor de films van Roman Polanski. Alle films van zijn hand hebben meer met me gedaan dan vrijwel alle andere films die ik heb gezien. The Fearless Vampire Killers (1967) is de eerste film die ik van hem zag. Het is een ontzettend spannend verhaal, over een professor en zijn knecht die op zoek gaan naar vampiers in Transsylvanië, maar tegelijkertijd is het ontzettend grappig. Het ene moment zit je op het puntje van je stoel en het andere moment lig je in een deuk van het lachen. The Pianist en Macbeth vind ik ook grandioos. Polanski ligt al decennia onder vuur omdat hij honderd jaar geleden een meisje heeft besprongen. Dat is een teken van deze tijd: de emotie neemt de overhand in de kunst en de cultuur. Ik ben een blanke man dus ik zal er wel niets over mogen zeggen, maar ik vind dat we kunstenaar en kunst los van elkaar moeten zien. Als je dat niet doet, dan blijft er verdomd weinig over. Caravaggio was een moordenaar, Van Gogh een lul en Picasso een zak. Woody Allen is in de #MeToo-discussie ook veroordeeld zonder gerechtelijke veroordeling. Manhattan vind ik een fantastische film. Nu ik er zo over nadenk, is dit eigenlijk een heel goede film om die hele #MeToo-hysterie eens vanuit een ander licht te bekijken. Manhattan gaat over de problematiek van een oude man en een jonge meid. De jonge meid wordt verliefd op de oude man, maar hij kan dat niet geloven en maakt de relatie daardoor kapot. Grandioos! Ik vind het ook zo goed dat dat meisje veel verstandiger is dan hij. Mijn vrouw is dertien jaar jonger, maar die is ook veel verstandiger en wijzer dan ik. Als je oud bent, wil dat niet zeggen dat je ook meer begrijpt. Heel veel mensen die beter zouden moeten weten, begrijpen geen fluit. Kijk naar de Tweede Kamer, die zit er vol mee.

“De laatste film die ik heb gezien is Batman Begins, die gisteravond op televisie was. Wat een totale nonsensfilm is dat. Het is een stripfiguur, denk ik dan, hou het in de abstractie. De special effects nemen in deze film zoveel plaats in dat er van de oorspronkelijke figuur Batman niets overblijft. Joker vond ik dan wel weer beter, maar daarin treedt de acteur te veel op de voorgrond. Ik hou niet van films waarin je grote acteerprestaties ziet. Van deze film herinner ik me vooral de acteur en niet het verhaal, terwijl een acteur juist in dienst zou moeten staan van dat verhaal. Dat is een van de verschillen met de films van Polanski. Adrien Brody speelt fantastisch in The Pianist, maar je herinnert je niet zijn acteerprestatie. Je herinnert je het schrijnende verhaal van die man. The Godfather is een mooi voorbeeld waarin beide soorten acteurs voorkomen: Marlon Brando zet een acteerprestatie neer, maar ik hou veel meer van het spel van Al Pacino. Die acteert zonder dat het opvalt. Brando is natuurlijk wel aan grandioze acteur. Hij heeft hetzelfde charisma als John Wayne: zet hem in een groep van vijftig mensen en alle ogen zijn meteen op hem gericht. Hij trekt meteen de aandacht. Sommige mensen hebben dat – al geldt voor hem ook dat het een onmogelijke man was. Misschien moet je ook wel een onmogelijk karakter hebben om een groot kunstenaar te zijn.”

Roman Polanski en Sharon Tate in The Fearless Vampire Killers; Dance Of The Vampires (1967)

Word lid van HP/De Tijd