Spring naar de content
bron: Bob Bronshoff

Kevin van Vliet: ‘Kevin is geen naam maar een diagnose’

Na een zomerse retraite van twee maanden maakt onze boekenrubriek haar rentree met een debutant. Zijn novelle Wolfsjong ligt sinds vorige week in de boekhandel. HP/De Tijd spreekt Kevin van Vliet, redactiechef en journalist van HP/De Tijd.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Robbert van Rijswijk

Die novelle van u, waar gaat die over?
“Het is een heel eenvoudig verhaal over een jongen die na het overlijden van zijn vader wees is geworden. Het is december en koud en een beetje eenzaam allemaal. En dan ontmoet hij de dorpskluizenaar, Oskar – een ongeleid projectiel tussen al de zenuwachtige dorpelingen. Ze mijden hem als de pest. Er ontstaat een vriendschap tussen de twee, en dan – nou ja, als men wil weten hoe het verhaal afloopt, moet men het maar kopen. Al verklap ik de afloop op de eerste pagina. Dus stel, je koopt het en hebt geen zin om het uit te lezen, dan weet je tenminste al wel hoe het verhaal eindigt.”

Debuteren met een novelle is niet zo slim, toch? Dunne boekjes verkopen niet.
“Ja, de uitgeverij waarschuwde me al. ‘Is dat nou wel zo verstandig, een novelle?’ Enorme pillen verkopen kennelijk beter, misschien heeft de consument het idee daarmee meer waar voor zijn geld te krijgen, maar zelf heb ik er eigenlijk te weinig geduld voor – dat zal vast met de telefoon en moderne toestanden te maken hebben. Zelf houd ik juist erg van novelles. Schaaknovelle van Stefan Zweig is één van de mooiste boeken die ik ooit heb gelezen. Er zit diepte in én je hebt het zo uit, dat vind ik wel prettig.”

Doet Kevin van Vliet aan mythevorming?
“Nee, ben je gek. Ik kom net kijken. De uitgeverij vroeg me nog of ik een pseudoniem wilde, maar waarom zou ik dat doen?”

Kevin van Vliet
Foto: Bob Bronshoff

Met een naam als de uwe is een pseudoniem misschien toch het overwegen waard.
Lacht: “Kevin… het zit ook niet mee. Ik heb mijn ouders vroeger vaak gezegd dat ik het een rotnaam vond, wat heel onaardig van me was.

“Inmiddels vind ik het een leuke naam. Dat komt omdat ik een keer een artikel in Der Spiegel las over het Duitse sociologische fenomeen ‘Kevinismus’. Het stuk ging over een onderzoek naar associaties die basisschoolleraren hebben met bepaalde voornamen. Conclusie: leraren zijn geneigd om aan te nemen dat kinderen met bepaalde namen uit een lagere sociaaleconomische klasse komen, minder goed presteren en vaker gedragsproblemen veroorzaken. Hetzelfde mechanisme dat optreedt bij de naam Ahmed op een cv, gok ik. Eén van de ondervraagde leraressen had geantwoord: ‘Kevin is geen naam maar een diagnose.’ Dat vond ik wel zo goed, dat ik mijn naam ineens leuk vond.”

Hoe bent u eigenlijk bij Uitgeverij Prometheus terechtgekomen?
“Twee jaar geleden liep ik Mai Spijkers tegen het lijf op de afterparty van het Boekenbal. Hij rekruteert nog ouderwets. Ik was heel dronken – ik kon nauwelijks meer staan – en wilde even iets tegen hem zeggen over de Vriend & Vijand die kort daarvoor in de HP/De Tijd had gestaan. In dat gesprekje heb ik vervolgens laten doorschemeren dat ik ook wel eens wat schreef, zoals iedereen dat wel doet, en gaf-ie z’n kaartje.

“Later zag ik hem weer op een boekpresentatie bij Prometheus. Hij herkende me nog en zei iets als: goh, nu heb je niet meer zo’n grote mond, hè? Heb je al wat?

“Toen ik uiteindelijk vond dat ik iets leesbaars had, hebben we koffie gedronken, heeft-ie wat gelezen en is het balletje gaan rollen. Als ik het zo zeg, klinkt het eigenlijk best makkelijk. Wat dat betreft heb ik wel een bevoorrechte positie gehad, zo dicht op die literaire wereld. Dat is het geluk van die journalistiek.”

Wat is de mooiste zin uit het boek?
Een dag of drie, vier nadat ik mijn vader tussen zes planken in het graf van mijn moeder had zien zakken, ontmoette ik Oskar.

“Het is de openingszin. Een goede openingszin is erg belangrijk, want die grijpt je bij de lurven; je moet met een boek toch iemand van de straat trekken. En ik denk dat je na deze zin de tweede zin nog wel het voordeel van de twijfel geeft.”

En de slechtste?
Ik zal mijn best doen het kort te houden aangezien u vandaag vast nog iets beters te doen hebt.

“Ik wilde daar leuk doen.”

Wie zijn uw proeflezers?
“Gerben Vlasveld – die ik ken uit de journalistiek – heeft het als eerste gelezen, en daarna Arthur van Amerongen, van hem moest ik minder indirecte rede gebruiken en de leukigheidjes schrappen.”

Vorm of inhoud?
“Vorm. Ik vind mooie zinnen belangrijk – stilistisch gave of overdreven archaïsche zinnen, bijvoorbeeld. Een zin moet je meevoeren, er moet melodie in zitten. Waar het verhaal dan verder over gaat, dat eh… ja… dat komt dan wel.”

Hoe snel schrijft u?
“Heel traag. Twee, soms drie dagen per week dwing ik mezelf om achter een bureau te zitten en te schrijven, en als ik dan een paar volle alinea’s heb geschreven, mag ik blij zijn. Al met al heb ik twee jaar over dit boek gedaan.”

En hoeveel verdient u hier nou mee?
“Twee maanden huur voor mijn kamer in Amsterdam-Noord, denk ik. Al is het eigenlijk nauwelijks Amsterdam te noemen – op een goeie, zonnige dag kan ik in de verte nog net de Rembrandttoren zien.”

Wie zijn uw favoriete Nederlandstalige schrijvers? 
“Gerard Reve, op eenzame hoogte. Ik ben koortsachtig door zijn oeuvre gegaan. Dat was een genot, want ik voelde mezelf bevestigd. Hij had een ontzettend aansprekende stijl – archaïsch, een beetje volks, een beetje Bijbels, met veel gevoel voor ironie, eufemisme en understatement. En hij was gemeen, maar wel op zo’n manier dat je er toch een beetje om moet grinniken. Én dan ging het vaak ook nog eens ergens over.

Draagt lachend voor van een volgekrast velletje:

Een knappe jongen […], al zou hij wat minder op een etaleur of de anjerdragende galant op een Franse prentbriefkaart moeten lijken. (uit: ‘Brief uit Camden Town’, Op weg naar het einde, 1963)

‘Een vrouw wier gelaat zulk een zorg en paardachtige tobbing uitdrukt dat de vraag, of ze gewoon lelijk is of heel lelijk, volstrekt irrelevant is geworden.’  (uit: ‘Brief uit Camden Town’, Op weg naar het einde, 1963)

“Nog één dan, want ik heb godverdomme niet voor niets de moeite genomen om ze met de hand over te schrijven…”

Een beetje pindaas bij de borrel geeft al een onuitpulkbare asfaltering van de kokosmat. (uit: ‘Brief uit het verleden’, Nader tot U, 1966).

“Nou, dan kun je mij opvegen. Dat vind ik zo knap, als je grappig kunt zijn op papier. Ik weet niet wat moeilijker is: iemand laten huilen door iets dat geschreven staat, of laten lachen. Ik neig naar het laatste.”

Tot slot: op het huis van welke schrijver zou u wel een precisiebombardement willen laten uitvoeren?  
“Ja god, ik heb het nooit leuk gevonden om me te mengen in polemiek; ik heb er het lef niet voor en word er alleen maar nerveus van. En als je haar niet aankunt, moet je er ook niet aan beginnen.

“Maar de vraag is natuurlijk fantastisch. Reves precisiebombardement op Theun de Vries was zo ironisch, zo lichtzinnig en choquerend, dat je denkt: die man is gestoord. Je balanceert ermee tussen ontwapende, ironische eerlijkheid, en een kort geding. Daarin zit lef die ik benijd. Het is eigenlijk belachelijk dat die ironie moest worden uitgelegd aan Twitter, na het bombardement van Arie Storm op de CPNB. Terwijl, ze hebben bij de CPNB toch wel gewoon zitten lachen?”

Wolfsjong van Kevin van Vliet wordt uitgegeven bij Uitgeverij Prometheus.